Zeven Vrije Kunsten

- Van Ghistele -

In 1561 werd in Antwerpen een landjuweel gehouden, een wedstrijd onder Brabantse rederijkerskamers. De zinnespelen die werden opgevoerd op het landjuweel moesten een antwoord geven op de vraag 'Dwelck den Mensche, aldermeest tot Consten verweckt'. Deze 'consten' werden in alle spelen opgevat als de Zeven Vrije Kunsten.

De bijdrage van de rederijkerskamer de Goubloeme werd geschreven door Cornelis van Ghistele, waaruit hier een passage over de schilderkunst is weergegeven.
Noch sijnder consten / wilt hier op oock passen
Dat constighe hantwercke sijn vernaemt
Ghelijck metselrije weerdich befaemt
Die landen / steden costelijck can vercieren
Met constighe practijckelijcke manieren
Daer Architectura moet toe de hant leenen
En noch meer andere / niet om vercleenen
Die wy onmachtich sijn hier al om noemen /
Maer bouen al ick derfs my beroemen
Isser eene / wel weerdich ten fijne
Onder de vry consten gherekent te sijne
De Poesis diuijne / wel sijnde ghelijck
Dats pictura / die oyt in menich rijck /
Groot gheacht wert / en gheestimeert // wordt
Voor een stille Poesis / en ghelaudeert // wordt /
Want soo Poesis den mensche beweghen // can /
Diesghelijcx Pictura oock daer teghen // can
Elcken inden gheest verwecken sonder spreken /
En ghelijck een Poeet met gheleerde reken
Feyten / gesten verhaelt van voorleden tijen
Soo oock can een Schilder / oorloghen / en strijen
En al dat oyt ghebuert is merckelijck tooghen
Ja oft wijt natuerlijck saghen voor ooghen
Weert om verhooghen / bouen alle hantwercken
En dat noch meer is / men siet in alle percken
Dat een Schilder met sijnen pinceele net
Op een cleyn plaetse int gheheele set
Landen / en steden / fortressen / en sloten
Ten heeft daerom Zeuxim niet verdroten
Hier in te toonen eenen constighen aert
Die teghen Parrhasium (oock seer vermaert)
Om dloflijckste eens constich ghewracht // heeft
En eenen wijntros gheschildert voort ghebracht // heeft
Soo natuerlijck / dat hy daer door heeft bedroghen
De voghelen die daer na quamen ghevloghen
Dies hy wel wou sijn een constenaer cloeck
Maer Parrhasius heeft eenen lijnen doeck
Hem ghetoont / die gheschildert soo perfect // was
Dat Zeuxis meende dat daer me ghedect // was
De conste / die hy laten blijken // souwe /
Maer doen Zeuxis den doeck af strijken // wouwe
Vant hy hem bedroghen / en verwonnen
Want al hadde hy de voghelen connen
Bedrieghen door sulcke conste delicaet
Parrhasius toonde een loflijcker daet
Die eenen constenaer selue door sijn conste
Merckelijck bedrooch
Een loffelijcke ionste
Moetmen altoos / en ten eeuwighen daghen
Hierom sulcke constighe schilders nadraghen
Weerdich gheset / in alle Cronijcken
Apelles heeft oock sulcke practijcken
Seer constich bewesen in sijn leuen
Die van Alexandro groot wert verheuen
Maer steruende eylaes gheconterfeyt liet
Venus imperfect / en in gheen landen siet
En cost men yemant vinden binnen / oft buyten
Die dat volbringhen dorst

Uit: Spelen van sinne vol scoone moralisacien uutleggingen ende bediedenissen op alle loeflijcke consten [...]. Antwerpen, Willem Silvius, 1562. Exemplaar UB-Amsterdam sign. 976 B 2.