Paeschen
Den Engel is voorbij: de grouwelicke nacht
Der eerstgeborenen is bloedeloos verstreken:
Ons' deuren zijn verschoont; soo warense bestreken
Met heiligh Paeschen-bloed, dat d'uytgelatenen macht,
Die Pharâos kinderen en Pharâo t'onderbracht,
Doorgaens verschrickelick, verschrickt heeft voor het teeken.
Wij zijn door 'troode Meer de slavernij ontweken,
Aegypten buyten reicks. Is alle dingh volbracht?
Is 'tschip ter haven in? Oh! midden in de baren,
De baren van ons bloed, veel holler dan dat meer.
Den Engel komt weerom en 'tvlammige geweer
Dreight niewen ondergang. Heer, heet hem over varen.
Merckt onser herten deur, o Leeuw van Iudas Stamm,
En leert ons tydelick verschricken voor een Lamm.
|